Archief voor maart, 2012

Iedere zichzelf respecterende bordspelfanaat houdt wel van een spelletje waarbij je eens je hersenen moet gebruiken. Spelletjes dus waarbij de geluksfactor te verwaarlozen is, en strategie en tactiek verplichte kost zijn. Een belangrijke exponent van dat genre spelletjes zijn de worker-placement games, waarbij spellen als ‘Agricola’, ‘Caylus’ en ‘Stone Age’ gevestigde waarden zijn. Win je ooit één van deze spelletjes, dan mag je daar al eens mee uitpakken… Kan een spel met een licht ontplofbare titel als ‘The Manhattan Project’, dat qua genre in dezelfde vijver vist, zijn plaats opeisen tussen deze grote drie?

Het verhaal:

De Verenigde Staten van Amerika, in het begin van de  Koude Oorlog. Ergens in een woestijn zijn verschillende groepjes geleerden met bommetjes aan het spelen. Competitief als geleerden zijn, besluiten ze er een wedstrijd van te maken: wie kan in zijn basis de grootste bom maken?

Dit is natuurlijk niet helemaal historisch correct wat het Manhattanproject betreft, maar de rest van het spel is dat wel! Geleerden en ingenieurs werken aan een hels tempo om zoveel mogelijk fondsen en grondstoffen te verzamelen en hiermee de meest afschrikwekkende massavernietigingswapens ter wereld te maken. Uiteraard gaat alles niet vanzelf: bombardementen op je werkplaatsen blijken meer regel dan uitzondering en je fabrieken zijn dan nog eens vergeven van de spionnen!

Het spel:

De meeste mensen kennen worker-placement games wel: je plaatst een boer op een bakkerij en met wat steen en hout bak je een brood. Dat gebruik je dan weer om een huisje te bouwen dat op wonderbaarlijke wijze erts in schapen en geld omzet. Dit alles bescherm je met wat wachters en zo krijg je heel veel overwinningspunten. Fundamenteel werken al deze spellen volgens hetzelfde principe, en ‘The Manhattan Project’ is hierop geen uitzondering. In plaats van boeren en schapenkwekers werk je met ingenieurs en wetenschappers. Hout, erts, wol en steen zijn niet de grondstoffen van dienst, maar wel geld, yellowcake, uranium en plutonium. En tenslotte bouw je niet een economie of een middeleeuwse stad, maar de grootste en gemeenste bom mogelijk!

Gelukkig zijn er ook verschillen: waar je bij andere titels je werklui plaatst en verplaatst naar believen, gelden er bij ‘The Manhattan Project’ ander regels. Ten eerste begin met slechts vier werkmannen en zal je dus extra, gespecialiseerde, werkkrachten moeten bijverdienen. Elke werkkracht die je trouwens op het bord plaatst, moet daar blijven liggen – wat er dus voor zorgt dat je, wanneer je door je werkvolk heen bent, een hele ronde moet opofferen om iedereen terug te verzamelen. Dit houdt in dat je dus bepaalde acties kan blokkeren, maar ook dat je soms werkplaatsen – verplicht – weer vrij moet maken. Je kan je werklui op verschillende manieren aan het werk zetten.  Je hebt hebt de werkplaatsen op het centrale bord die je kan gebruiken, maar je kan ook gebouwen kopen op een persoonlijk onderzoekscentrum op te richten. In die gebouwen kan je de basis leggen voor je bommen: geld verdienen of yellowcake (een soort erts) opgraven.  Dit laatste kan je in reactoren en verrijkingsinstallaties dan weer omzetten in plutonium en uranium, de brandstof die je nodig hebt om je bommen te kunnen bouwen. Er zijn ook nog enkele andere acties: je kan je fabrieken ook gebruiken om fighters en bombers te bouwen, waarmee je andermans gebouwen in puin kan leggen en je kan ook dankzij spionage jouw werkvolk in je tegenspelers fabrieken aan het werk zetten, zodat jij met de opbrengst kunt gaan lopen. Tenslotte kan je nog technische plannen voor de bommen ontwikkelen, zodat je ze, met genoeg brandstof en het juiste werkvolk, ook effectief kan bouwen. Plutonium-bommen zijn goedkoop maar leveren pas veel overwinningspunten op nadat je er één hebt opgeofferd voor een test, en uranium-bommen leveren dan weer onmiddellijk veel overwinningspunten op, maar zijn veel duurder om te bouwen.

De eerste speler die een vooraf bepaald aantal overwinningspunten (afhankelijk van het aantal spelers) behaalt, wint het spel.

De meerwaarde:

Tot hiertoe zou je kunnen spreken van een zoveelste kloon van Agricola, maar dit spel biedt meer. Veel worker-placement games lijden immers aan het syndroom van solo multiplayer, wat gewoon betekent dat ieder zijn eigen ding doet, zonder dat het nodig is dat je let op wat de ander aan het uitspoken is. Met andere woorden: er is nogal weinig interactie. Niets van dit alles bij ‘The Manhattan Project’, waar conflict één van de sleutelwoorden is. Er zijn immers zoveel verschillende manieren om de ander dwars te zitten dat je vaak niet weet waar eerst te beginnen!  Stuur je je spionnen uit om je tegenspelers fabrieken te bezetten en te plunderen of laat je gewoon je bombers het hele zaakje platgooien? Even eenvoudig kan je met je werkvolk belangrijke plekken op het spelbord blokkeren zodat de anderen er geen gebruik van kunnen maken – tot je ze moet terugroepen natuurlijk.

Het spel kan zich dus voldoende onderscheiden op het gebied van gameplay, maar doet dat nog meer op grafisch en thematisch vlak. Zelden een spel gezien dat dat zo origineel, duidelijk en gewoon goed uit de hoek komt. Van het spelbord dat meer weg heeft van een wanordelijke bureau tot het materiaal:  de kartonnen onderdelen zijn immers zo dik dat ze wel eens een nucleaire aanval zouden kunnen weerstaan. Alles aan het spel schreeuwt “Speel mij!”, en dat is nog eens leuk ook.

En dus:

Om het met de (licht aangepaste) woorden van professor Robert Oppenheimer, na de eerste succesvolle test met een atoombom, te zeggen: “Now I’ve become Death, destroyer of friendships…” Conflict en interactie wordt immers op een heel elegante wijze doorheen het spel verweven. Je gebruikt je werklui niet alleen voor eigen gewin, maar ook om de ander dwars te zitten. Dat alleen al zorgt voor een hoogst interessant mechanisme en in combinatie met het originele thema en uitnodigende grafisch werk kunnen we hier spreken van een bom vaneen spel. Letterlijk én figuurlijk!

naam: ‘The Manhattan Project’
designer: Brandon Tibbets
uitgeverij: Minion Games
jaar: 2012
aantal spelers: 2 tot 5
tijd: 120 min

Advertenties

Net als je denkt dat er werkelijk overal spelen over zijn gemaakt, slagen de heren bordspelontwikkelaars erin om toch nog verrassend uit de hoek te komen. Je had al bordpelen over boeken (‘Lord Of The Rings’, ‘Dune’,…) en over series (‘Battlestar Galactica’, ‘A Game Of Thrones’,…). Je had ook bordspelen over films (‘Beowulf’, ‘Waterworld’,..) en zelfs over computerspelletjes (‘Civilization’, ‘Starcraft’,…). Maar blijkbaar moest het nec plus ultra dus nog komen en heb je nu dus ook een spel over… kinderrijmpjes.

Ik kan me zo al voorstellen hoe dat gegaan moet zijn: ergens op een doordeweekse dag in een kinderkamer is iemand ‘We gaan op berenjacht’ aan het zingen, terwijl net toevallig iemand anders een hoop peuters is aan het entertainen met ‘Ik ga op reis en ik neem mee’. Krijgen ze daar plots een aha-erlebnis van jewelste en met een luide Eureka-kreet valt bij één van de twee de spreekwoordelijke euro – en ‘Let’s Take A Hike’, het nieuwe kaartspel van ontwerper Aaron Lauster is geboren.

Het verhaal:

Of het echt zo gegaan is, weet ik natuurlijk niet, maar het heeft er toch verdacht veel van weg. In dit kaartspel zijn de spelers immers een groepje wandelaars aan de rand van het bos die graag eens hun beste beentje voor willen zetten. Een goede voorbereiding is echter het halve werk en de rugzakken moeten dus nog ingepakt worden. Moet die microgolfoven nu echt mee? En waar gaan we die reddingsboot eigenlijk steken?

Ben je er dan uiteindelijk in geslaagd alles in die rugzak te proppen, dan staat je nog de taak te wachten om die helemaal het bos door te sleuren. Blijkbaar is boswandelen trouwens ook een een competitieve sport geworden, want enkel de laatste man die rechtop staat, krijgt de punten.

Het spel:

Het spel is eigenlijk even snel uitgelegd al dat het duurt. Je begint met een hand vol met voorwerpen die je graag in je rugzak zou willen steken. Helaas is de plaats beperkt en kan je elk voorwerp maar op bepaalde plaatsen in je tas kwijt. Elke kaart geeft aan waar je ze kan steken en hoe zwaar ze weegt. Belangrijk voor later. Zo gaat het spel een aantal rondjes door tot één van de spelers vindt dat hij genoeg mee sleurt en zich niet meer kan inhouden. Hij of zij beslist te vertrekken en jij hebt de keuze om mee te gaan of achter te blijven. Voor zij die meegaan gebeurt nu het volgende: van de trekstapel worden één voor één kaarten omgedraaid en vergeleken met de kaarten die de wandelaars in hun rugzak hebben zitten. Heb je de kaart ook, geen probleem: je wandelt door. Heb je de kaart echter niet, dan moet je uit je rugzak een kaart dumpen met minstens evenveel gewicht als de kaart op de stapel. Je rugzak is wat lichter en je kan weer door. Dit gaat zo verder tot je rugzak leeg is (je krijgt wat troostpunten en keert terug naar het basiskamp) of je de laatste overblijvende wandelaar bent (je krijgt alle omgedraaide kaarten en hun gewicht in goud – nee, punten natuurlijk). En heel het voorbereiden begint weer opnieuw.

Maar je begeeft je best niet te lang  in het bos, want je zou wel eens kennis kunnen maken met de plaatselijke bewoners: wasberen, stinkdieren en schattige beren. En vergeet de blaren niet! Als je niet het nodige in je rugzak bij hebt tegen deze gevaren (anti-beer-spray, verse sokken,…), dan zou je tochtje wel eens veel korter kunnen zijn dan gepland.

Wilde/schattige diertjes of niet, de winnaar is in ieder geval diegene die de meeste punten heeft wanneer de trekstapel helemaal op is.

Aandachtige lezers hebben al door dat dit een spel is dat ontworpen zou kunnen zijn door Milan Kundera: het is een spel van een ondraaglijke lichtheid. Verwacht dus niet zware beslissingen te moeten nemen of tactische plannetjes op te stellen, daarvoor is de geluksfactor echt wel te hoog. Spelers die hier niet van moeten weten, kunnen dus best maar met een grote boog rondom ‘Let’s Take A Hike’ wandelen. Ook kan het spel eens last hebben van overdreven downtime: beslis je immers om niet mee op tocht te gaan, dan rest je niets anders dan in stilte toe te kijken en te luisteren naar het omdraaien van de kaartjes en de bijhorende vloeken.

De meerwaarde:

Gelukkig is er ook wel wat positiefs te vertellen. Je kan het spel in één woord samenvatten: charmant. Niet echt een woord dat ik al vaak gebruikt heb om een bordspel te omschrijven, maar hier is het wel van toepassing. Erg eenvoudige regels, en vooral ook artwork dat op een kinderlijke manier perfect aansluit bij het originele thema – en ook bij de doelgroep. Die zal dan ook vooral bestaan uit een iets jonger publiek of mensen die een volledig stressvrij tussendoortje wel kunnen appreciëren.

En dus:

Niets spectaculairs, maar dat is voor een dagje wandelen in het bos ook niet nodig. Een fijn tussendoortje voor wie even wil ontsnappen aan de stress van het zware bordspelgeweld – maar ook niet meer dan dat. Maar zeggen ze niet dat af en toe een boswandeling gezond kan zijn?

naam: ‘Let’s Take A Hike’
designer: Aaron Lauster
uitgeverij: StrataMax Games
jaar: 2011
aantal spelers: 2 tot 5
tijd: 30 min

 

 

In het bordspelwereldje eens rustig op reis gaan is er echt niet bij tegenwoordig. Het eerste eiland dat je tegenkomt,  loopt langzaam onder water (‘Het verboden eiland’). Op het tweede eiland is er geen infrastructuur aanwezig en moet je dus eerst nog bouwen (‘De kolonisten van Catan’). En voordat je het volgende eiland zelfs nog maar bereikt, lijd je schipbreuk en spoel je voor 28 jaar aan op een onbewoond stuk rots (‘Vrijdag’). Maar lukt het je tenslotte toch om je koffers uit te pakken in een paradijselijk dorpje op een tropisch eiland… dan staat er toch wel een vulkaan op uitbarsten zeker! Voor de bijbehorende aswolk ons weer enkele weken het zicht ontneemt – ziehier de review van ‘Eruption’.

Het verhaal:

Heb je dus eindelijk een eilandje gevonden en je koffers uitgepakt, dan zou je onmiddelijk weer op de loop moeten voor het naderende lava-gevaar? Vergeet het maar! In plaats van te vluchten gaan we ervoor zorgen dat ons dorpje gevrijwaard blijft van vernietiging, al gaat dat dan ten koste van de andere dorpen op het eiland. Stro, hout en steen worden aangesleurd om muurtjes op te bouwen tegen het natuurgeweld, zodat de lava het dorp niet kan bereiken… Stro? Ja, ook stro. Heel handig tegen lava, naar het schijnt.

Helaas denken ze er natuurlijk in de andere dorpen ook zo over…  Wiens dorp bereikt langzaamaan het kookpunt en wie kan het hoofd koel houden?

Het spel:

Het bord van ‘Eruption’ geeft het eiland weer met in het midden de vulkaan en aan de rand de verschillende dorpjes. Elke speler krijgt één dorp onder zijn hoede en bij wie het op het einde van het spel het minst heet onder de voeten is, die wint het spel.

Eenvoudige overwinningsvoorwaarde, en ook eenvoudige spelregels. Iedere speler trekt om de beurt een lavategel en legt die aan de centrale vulkaan of een reeds bestaande lavastroom aan. Hierbij moet je keuzes maken: of je aanvallend wilt spelen richting andermans dorp, of defensief waarbij je de lavastromen laat afbuigen van jouw dorp weg. Elke lavastroom die in je dorp aankomt laat trouwens elke beurt daar de temperatuur stijgen, zoals je kan aangeven op de thermometer rondom het speelbord. Nu is dat niet onmiddellijk zo’n ramp, want de eerste die een bepaalde temperatuur overschrijdt, krijgt bepaalde voordelen: extra kaarten trekken, extra muurtjes plaatsen en zelfs extra lavategels leggen. Leuk, omdat je kaarten kan gebruiken om tegels te draaien, verwisselen of gewoonweg laten verdwijnen, of om ze om te wisselen voor muurtjes. Deze muurtjes kan je dan weer gebruiken om lavastromen te blokkeren of je dorp te verdedigen. Andere spelers moeten dan, met behulp van de dobbelstenen, eerst het muurtje proberen te slopen alvorens ze de lava weer verder kunnen laten vloeien. Hier geldt natuurlijk dat een stenen muur sterker is dan een houten muur, die op zijn beurt weer sterker is dan een strooien muurtje. Een regel die zelfs de boze wolf uit de drie biggetjes kent.

Voor één dorp zal echter alle hulp te laat komen. Wanneer een dorp de eindtemperatuur van 290° bereikt (lichtjes gefrituurd), eindigt het spel onmiddellijk en wint het dorp met de laagste temperatuur.

Het bord ziet er trouwens zeer mooi uit en naarmate het spel vordert en de lavastromen zich vormen, wordt het er visueel alleen maar leuker op. Ook aan de rest van het materiaal is veel zorg besteed en kan wel een vulkaanuitbarsting weerstaan. En hopelijk ook een woedeuitbarsting, want het hele spel is soms te vergelijken met een rondje vrolijk pesten.

Het mag immers duidelijk zijn dat je voor dit spel inderdaad geen gigantische strategie hoeft te ontwikkelen of zware tactische keuzes hoeft te maken. Je legt een tegel om de ander zo veel mogelijk te treiteren of om zelf zo weinig mogelijk getreiterd te worden, en veel meer komt er niet bij kijken. Zoveel hangt af van geluk (lavategels, kaarten, rollen van de dobbelsteen,…) dat het speelveld dan ook heel vaak verandert. Dit is leuk om spelers betrokken te houden, maar het zou de typische euro-speler (die elke zet graag urenlang overdenkt) wel eens kunnen afstoten.

Er ontstaat gelukkig wel veel interactie tussen de spelers en dat wordt ook aangemoedigd in de spelregels: iedere speler mag alle argumenten gebruiken om de andere spelers zo veel mogelijk te beïnvloeden. Dat doe je natuurlijk altijd, maar het is wel eens leuk dat het ook in de spelregels staat. Het is dan ook een spel wat eerder bedoeld is om op de familietafel te belanden, eerder dan tussen de fanatieke bordspelers.

De meerwaarde:

Dit spel heeft een erg leuk thema dat eigenlijk voor elke doelgroep werkt. Je hoeft misschien niet al te veel medelijden hebben met mensen die hun dorp recht onder een actieve vulkaan stichten, maar toch bouwt het spel een zekere spanning op terwijl je als een krankzinnige probeert je dorp te vrijwaren van alle schade. Zit je toch met een lavaprobleem, dan zorgen de verschillende fasen op de thermometer op het bord ervoor dat je niet de ‘runaway loser’ bent. Wie aan het verliezen is kan met de verschillende voordelen die hij krijgt ervoor zorgen dat het verschil tussen hem en zijn tegenstanders snel kleiner wordt. In de spelletjes dat wij gespeeld hebben was het verschil tussen alle spelers steeds erg miniem – wat het spannend houdt tot op het einde.

Ook heel goed: op de hoeken van het speelbord staan de spelregels nog eens in het kort opgesomd. Gedaan dus met het opzoeken in het regelboekje. Je kan er misschien een bootje van vouwen om van het eiland te ontsnappen.

Perfect dus om te spelen met die niet-bordspel-spelende vriendin of familieleden of als gateway-game om mensen te laten kennismaken met bordspelen die net een trapje hoger staan dan ‘Levensweg’.

En dus:

Eruption is duidelijk een spel dat mikt op de casual gamer. Licht, eenvoudig, ziet er erg mooi uit en met een hoog plaag-gehalte. Zolang iedereen aan tafel tegen zijn verlies kan, is dit een echte aanrader. I love the smell of lava in the morning!

naam: ‘Eruption’
designer: Chris James
uitgeverij: Stratus Games
jaar: 2011
aantal spelers: 2 tot 6
tijd: 45 min